Christiaan Eijkman, arts en patholoog, werd op 11 augustus 1858 in Nijkerk geboren. Hij studeerde geneeskunde in Amsterdam en promoveerde in 1883 op een proefschrift over polarisatie van zenuwen.
Het was de tijd, waarin in Europa allerlei verwekkers van ziekten werden geïdentificeerd, onder andere van malaria, lepra en tetanus. Eijkman raakte geïnteresseerd in microbiologie. Hij ging naar Berlijn en werkte o.a. samen met professor Robert Koch.Vanwege zijn belangstelling voor de medische microbiologie en zijn tropenervaring werd hij als lid van de commissie naar Indië uitgezonden om de oorzaken te onderzoeken en de bestrijding van de beriberi ter hand te nemen. Eijkman ontdekte bij toeval, dat de oorzaak van de ziekte niet terug te voeren was op besmetting met bacteriën, maar veroorzaakt werd door een deficiëntie in het dieet. Dat leidde enige tientallen jaren later tot de ontdekking door anderen dat een tekort aan vitamine B1 (aneurine of thiamine) de oorzaak was van beriberi.
Eijkman werd in 1898 hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Utrecht met als leeropdracht "Gezondheidsleer, geneeskundige politie en gerechtelijke geneeskunde". In 1907 werd hij verkozen tot lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Hij ontving in 1929 de Nobelprijs voor de geneeskunde als grondlegger van de vitamineleer. Hij deelde de prijs met Sir Frederick Hopkins.
Eijkman overleed op 5 november 1930.